Filosofie · 86 BC · Rome

Aratea

Aratea

Inleiding

De Aratea is de versvertaling die Cicero in zijn jeugd maakte van de Phainomena van Aratos van Soloi—het meestgelezen leerdicht van het hellenistische tijdperk, een rondleiding langs de sterrenbeelden en de weertekenen waarmee Grieken en Romeinen de nachtelijke hemel plachten te lezen. Cicero zelf behandelt het werk achteraf als een oefening uit zijn vroege jaren, en het draagt de sporen van een jong kunstenaar: van een knaap of zeer jonge man die zich waagt aan de zwaarste van alle dichterlijke opgaven—de Griekse astronomie in Latijnse hexameters te vatten. Het is verreweg zijn omvangrijkste bewaard gebleven gedicht en het belangrijkste getuigenis dat wij voor zijn vermogen als versdichter bezitten.

Zijn betekenis is tweeledig. Als dichtkunst laat het ons de toekomstige meester van het Latijnse proza gadeslaan tijdens zijn leertijd in het metrum, en de latere Cicero citeert zichzelf er zonder gêne uit. Als taal is het een prestatie van woordschepping: om Aratos weer te geven moest Cicero een Latijnse terminologie van de hemel smeden—namen voor sterrenbeelden, kringen en sterren—waarvan veel in de gemeenschappelijke voorraad van de Romeinse astronomie overging. Latere dichters, Vergilius en Ovidius onder hen, leerden van zijn oplossingen.

Het gedicht is slechts onvolledig bewaard gebleven. Een lang aaneengesloten gedeelte van de Phainomena bereikt ons door de handschriftelijke overlevering, geleed door de sterrenbeeld-opschriften die de catalogus van de hemel ordenen—de Beren, de Draak, de Knielende, de Kroon, de Slangendrager en de overige, tot aan de grote uiteenzetting van de hemelkringen en de gelijktijdige op- en ondergangen van de tekens. De begeleidende Prognostica, over de weertekenen, komen slechts in brokstukken tot ons: een handvol verzen, door de grammaticus Priscianus bewaard, en andere, door Cicero zelf in het tweede boek van Over het wezen der goden en in Over de waarzeggerij aangehaald. De sterrenbeeld-opschriften hieronder zijn redactionele merktekens van de brontekst; zij zijn, in hun natuurlijke Nederlandse namen, behouden om de lezer door Cicero’s kaart van de sterren te geleiden.

Proömium (Van Jupiter). Van Jupiter laat ons het eerste begin der Muzen nemen: hij is het die de mensen het meest in de mond ligt, die met grote macht de kruiswegen vervult, de samenkomsten der mannen, de diepe zee en de havens van de zee. Wij allen genieten van Jupiter en hebben hem allen van node. Wij zijn zijn geslacht; en hij, met gunstig voorteken, wijst ons met zijn rechterhand de weg en drijft het volk tot zijn arbeid, opdat het voor het leven zorgt: wanneer de aarde de schoffel beter past of de os, vermaant hij, en in welk jaargetijde het juist is te zaaien of de in bedden gezette planten met water te besprenkelen. Hijzelf heeft de lichten aan het grote firmament bevestigd, elk in zijn eigen orde, en, voorzienig voor het hele jaar, gaf ons de gesternten, die ons vermanen op welk uur elk ding gedaan behoort te worden, opdat alles naar vaste wet opgaat. Zo wordt dezelfde het eerst verzoend, en dezelfde het laatst. Grote Vader, grote aanwas voor de stervelingen, oudere nakomelingschap, en boven alles, zoete Muzen, weest mij allen tezamen gegroet, en terwijl ik de sterren bezing, indien recht en goddelijke wet het toestaan, spint een lang lied uit.
Ab Jove Musarum primordia Ab Jove Musarum primordia: [semper in ore plurimus ille hominum est, qui compita numine magno, conciliumque virum complet, pelagusque profundum, et pelagi portus. Fruimur Jove et utimur omnes. Nos genus illius; nobis ille omine laeto 5 dextera praesignat, populumque laboribus urget, consulat ut vitae: quando sit terra ligoni aptior aut bubus monet, et quo tempore par sit aut serere, aut septas lymphis adspergere plantas. Ipse etiam in magno defixit lumina mundo, 10 ordine quaeque suo, atque in totum providus annum astra dedit, quae nos moneant, qua quaelibet hora apta geri, certa nascantur ut omnia lege. Idem ergo primus placatur, et ultimus idem. Magne pater, magnum mortalibus incrementum, 15 progenies prior, et dulces ante omnia Musae, cuncti una salvete mihi, et dum sidera canto, si jus fasque sinunt, longum deducite carmen.]
De Beren (Arcti). Al het overige aan de hemel glijdt voort in snelle beweging, met de hemel tegelijk meegevoerd, nachten en dagen: maar de as staat onbewogen en verandert nooit haar plaats; zij houdt de aarde in gelijk gewicht in evenwicht, en om haar heen wentelt zich de hemel in grote werveling. Het uiterste punt aan elk der beide spillen wordt de pool genoemd; van deze twee wordt de ene niet gezien, de andere, naar het Noorden toe, reikt omhoog tot de bovenste grenzen van de Oceaan. Deze omringen de Beren, befaamd onder de naam van de Wagen, die de onzen gewoon zijn de Zeven Ploegossen te noemen. Het hoofd van de ene aanschouwt de vlammende rug van de andere, en de wentelende sfeer sleurt hen beurtelings mee, voorovergebogen over hun eigen schouders. Uit Kreta, indien het geoorloofd is het te geloven, kwamen zij naar de heldere burchten van de hemel, hun woonplaats verlatend. Jupiter wilde het zo, die, toen hij als kind onder de welriekende kruiden speelde, zij in de welkome grot van Dikte legden, nabij de Ideïsche berg, en een heel jaar lang voedden, terwijl de Diktaeïsche Korybanten Saturnus misleidden. Van deze twee wordt de ene bij de Grieken Kynosoura genoemd; de andere heet Helike, die de Achaeërs toont op zee waarheen het schip te wenden is; maar het is op Helike dat de Phoeniciërs hun gids in de diepte ’s nachts vertrouwen. Toch straalt gene eerste helderder, met helderder sterren bezet, en breed en terstond wordt zij gezien vanaf het begin van de nacht. Deze andere is klein; maar voor zeelieden ligt er nut in: want zij wentelt in korte loop op haar binnenste baan, en toont de zekerste tekenen aan de Sidonische zeelui.
Caetera labuntur celeri caelestia motu, cum caeloque simul noctesque diesque feruntur: 20 [axis at immotus numquam vestigia mutat; sed tenet aequali libratas pondere terras; quem circum magno se volvit turbine caelum:] extremusque adeo duplici de cardine vertex dicitur esse polus, [quorum hic non cernitur, ille 25 ad Boream, Oceani supera ad confinia tendit. Quem cingunt Ursae celebres cognomine Plaustri], quas nostri Septem soliti vocare Triones. [Alterius caput alterius flammantia terga adspicit, inque vicem pronas rapit orbis in ipsos 30 conversas humeros. Creta, si credere fas est, Ad caeli nitidas arces venere relicta. Jupiter hoc voluit, quem sub beneolentibus herbis ludentem Dicti grato posuere sub antro, Ideaum ad montem, totumque aluere per annum, 35 Saturnum fallunt dum Dictaei Corybantes.] Ex his altera apud Graios Cynosura vocatur; altera dicitur esse Helice, [que monstrat Achivis in pelago navis quo sit vertenda, sed illa] hac fidunt duce nocturna Phoenices in alto. 40 Sed prior illa magis stellis distincta refulget, et late prima confestim a nocte videtur. Haec vero parva est; sed nautis usus in hac est: nam cursu interiore brevi convertitur orbe, [signaque Sicloniis monstrat certissima nautis.] 45
De Draak (Draco). Tussen deze, als een rivier met snelle stroom, kruipt de grimmige Draak eronder, en zich erboven krommend, de gebogen kronkels uit zijn lichaam vormend, die de honden van de noordelijke kolk aanraken, zelf ongenat. Maar Helike wordt door de massa van zijn buitenste staart omgeven; waar de buiging van zijn kronkel is, ligt het hoofd van de Beer Kynosoura: toch raakt zij hem met haar voeten, vanaf zijn kruin tot aan de flank. Hier weer wordt de Slang teruggewend op zijn achterwaartse loop. Niet één enkele ster alleen blinkt voor hem, zijn hoofd sierend; zijn slapen zijn met een dubbele gloed getekend, en uit zijn woeste ogen flitsen twee gloeiende lichten, en zijn kin glanst met één stralende ster; zijn hoofd voorovergebogen en op de ronde nek teruggebogen, je zou zeggen dat hij zijn blik vestigt op de staart van de grotere Beer. De rechterdelen van de staart staan tegenover de uiteinden van het hoofd. Hier daalt het hoofd een weinig, en verbergt zich plotseling, waar opgang en ondergang in één hemelstreek vermengd raken.
Has inter, veluti rapido cum gurgite flumen, torvu’ Draco serpit subter, superaque revolvens sese, conficiensque sinus e corpore flexos, [quos cani tangunt immunes gurgitis Arctoi. Verum haec extremae circumdatur agmine caudae; 50 qua spirae sinus est, involvitur altera caelo. Nempe Helice extremae circumdatur agmine caudae; qua spirae sinus est, caput est Cynosuridos ursae: quae tamen usque pedes summo ilium a vertice tangit. Retrogrado hic iterum cursu convertitur Anguis.] 55 Huic non una modo caput ornans stella relucet; verum tempora sunt duplici fulgore notata, e trucibusque oculis duo fervida lumina flagrant, atque uno mentum radianti sidere lucet; obstipum caput et tereti cervice reflexum 60 obtutum in caudam majoris figere dicas. [Opposita extremae capitis sunt dextera caudae.] Hoc caput hic paullum sese, subitoque recondit, ortus ubi atque obitus parte admiscentur in una.
De Knielende (Engonasin / Hercules). Dichtbij, als de vermoeide gestalte van een treurende man, wentelt een figuur: wie hij is, kon niemand je met zekerheid zeggen, noch door welke arbeid hij is uitgeput; toch noemen zij hem Engonasin, omdat hij op zijn knieën rustend wordt voortgedragen. Hij reikt met beide handen naar tegengestelde streken, en spreidt zich boven zijn schouders met uitgestrekte armen uit, en boven het gelaat van de Slang, die vuur ademt uit holle neusgaten, plant hij de tred van zijn rechtervoet.
Adtingens defessa velut moerentis imago 65 vertitur : [hanc nemo certo tibi dicere possit, aut quisnam, quo sit fessus, labor attamen illam] Engonasin vocitant, genibus quod nixa feratur. [Illa petit binis manibus diversa locorum, atque humeros supera tensis dispenditur ulnis, 70 et super ora cavis spirantia naribus ignem Serpentis dextrae figit vestigia plantae.]
De Kroon (Corona). Hier is gezet die Kroon van onovertroffen schittering. Deze bracht Bacchus, als getuige van zijn liefde voor Ariadne, omhoog naar de hemel, waar de rug van de Knielende uiteengaapt. Naast zijn schouders rust de krans. Nabij het hoofd van de Slangendrager,
Hic illa eximio posita est fulgore Corona. [Hanc Ariadnaeum Bacchus testatus amorem intulit in caelum, qua Nixi terga fatiscunt. 75 Juxta humeros sertum est. Propter caput Anguitenentis,]
De Slangendrager (Ophiuchus). die de Grieken met de heldere naam Ophiuchus aanduiden, ligt het hoofd van de Knielende; en vanaf de hoogste kruin van de Knielende zul je zeer gemakkelijk de glanzende sterren van de andere herkennen. Boven zijn dubbele schouders schijnt bevestigd te zijn een fonkelende ster van zulk een aanblik, zulk een glans, dat zij gloeit gelijk de maan terugschijnt wanneer zij in vol licht staat. De kracht is niet gelijk in zijn beide handen, hoewel het hun aan luister niet ontbreekt, noch hun omvang het kleinst is; toch is hun helderheid dun, met verspreid licht. Met de dubbele druk van zijn handpalmen houdt hij de Slang vast, en hijzelf blijft door haar met zijn hele lichaam gebonden; want de Slang omgordt het midden van de man onder de borst. Hij echter, zwaar leunend, plant zijn voetstappen, en drukt met zijn voeten de ogen en de borst van de Schorpioen. Door zijn rechterhand gedrukt, rijst de Kroon; maar aan de linkerzijde raakt de Minoïsche krans de top van zijn wangen.
quem claro perhibent Ophiuchon nomine Graii, [est caput illius, summoque ex vertice Nixi perfacile alterius candentia sidera nosces.] Huic supera duplices humeros adfixa videtur 80 stella micans tali specie, talique nitore, [fulgeat ut, pleno quum lumine luna refulget. Non par est geminis manibus vigor, et licet illis nec nullus splendor, nec sit parvissima moles, attamen est tenuis disperso lumine fulgor.] 85 Hic pressu duplici palmarum continet Anguem, atque eo ipse manet religatus corpore toto; namque virum medium Serpens sub pectore cingit. Ille tamen graviter nitens vestigia ponit, atque oculos urget pedibus pectusque Nepai. 90 [Hic pressus dextra, surgit: sed parte sinistra sertaque supremae tangunt Minoia malae.
De Scharen (Chelae). Onder zijn kronkel zul je de Scharen zoeken, met hun reusachtig lichaam, die toch voor hun omvang geen grote helderheid uitwerpen.
Sub spira quaeres immenso corpore Chelas, quae tamen haud magnum jactant pro moIe nitorem.
De Berenhoeder (Arctophylax / Boötes). Helike zelf wordt gevolgd door een van geen ongelijke gestalte aan een herder, de Berenhoeder, gewoonlijk Boötes geheten, omdat hij de Beer voor zich uit drijft, als ware zij aan de dissel gespannen. Helder is hij, en onder zijn borst schijnt vastgezet een ster, fonkelend met stralen, van heldere naam, Arcturus.
Ipsam Helicen sequitur non dispar forma Bubulco,] 95 Arctophylax, vulgo qui dicitur esse Bootes, quod quasi temone adjunctam prae se quatit Arcton. [Clarus hic, et] subter praecordia fixa videtur stella micans radiis, Arcturus nomine claro.
De Maagd (Virgo). Hier, onder de voeten van Boötes, komt afgezonderd tevoorschijn de Maagd, de heldere korenaar houdend, haar lichaam glanzend. Of haar vader Astraeus is, die heet eveneens de vader der sterrenbeelden en der sterren te zijn, of een ander, moge zij genadig zijn: dit is het verhaal dat algemeen verteld wordt. Astraea bewoonde eens de aarde, de hemel achterlatend, en versmaadde de samenkomsten van de mensen van weleer niet, noch verachtte zij het de vergaderingen van vrouwen te bezoeken; vrij van de dood, vestigde zij zich vermengd onder het sterfelijke geslacht, zich verheugend in de naam van Gerechtigheid; en aan de bijeengekomen oudsten, hetzij op het grote forum, hetzij op het breed openliggende plein, dicteerde zij ijverig de burgerlijke wetten aan de volkeren. Er was nog geen boze twist, nog geen tweedracht bekend, geen woeste oproer had de wispelturige menigte tot razernij gebracht, noch hadden de woeste zeeëngten de druk van vermetele kielen gevoeld; maar, de aarde met de door ossen getrokken ploegschaar voren scheurend, verkozen zij liever tevreden te leven met een sober bestaan, terwijl de Godin de rechtvaardigen met alle dingen uit haar volle hoorn voorzag. Zo bleef zij, zolang het gouden geslacht op de heilige aarde bleef. Maar over het metaal van het zilver verheugde zij zich niet al te zeer; toch, met hun zeden gekeerd, was ook haar gezindheid jegens hen gekeerd, en zelden voegde zij haar godheid bij het slechter geworden geslacht. Alleen kwam zij afdalen van de ruige bergen tegen het vallen van de nacht, niemand met tedere woorden vleiend. Maar zodra zij tot de grote steden der mensen was gekomen, wreekte zij hun snode misdaden met schrikwekkende woorden: “Niet langer acht ik mijzelf waardig mij ter aanschouwing te tonen, o ontaarde broed, nu het tweede kroost van het eerste kroost, en gij die telkens en telkens weer nog ontaarder kleinkinderen zult hebben. Dan hangen wrede oorlogen boven het mensengeslacht, en gruwelijke moorden dreigen, en zijn eigen straf zal de schuld als metgezel volgen.” Zo sprak zij, en verliet de volkeren die hun gelaat nog op haar gevestigd hielden, en wendde zich naar de bergen en de ongebaande plaatsen der wouden. Dit geslacht liet zij in leven, en liet zijn nakroost achter. Toen inderdaad rees plotseling het ijzeren geslacht op, en durfde als eerste het dodelijke zwaard te smeden, en met de hand de os te proeven, getemd en gebroken. Toen vloog de Godin, het sterfelijke geslacht verfoeiend, omhoog, en vestigde zich in het rijk van Jupiter, in een deel van de hemel; een schitterende plaats toebedeeld, waar, in heldere nacht, de Maagd opvallend gloeit, naaste van Boötes. Boven haar wenden zich haar dubbele schouders, en haar vleugel
[Hic se] sub pedibus profert finita Booti 100 spicum illustre tenens splendenti corpore Virgo. [Sive illi Astraeus pater est, qui dicitur idem sideribus stellisque pater, seu quilibet alter, sit felix: sane haec narratur fabula vulgo. Incoluit caelo terras Astraea relicto, 105 conventusque hominum non dedignata priorum, sed nec femineos spernens invisere coetus, Leti expers, generi mortali mixta resedit, nomine Justitiae gaudens; senibusque coactis, sive foro in magno, seu latipatente platea, 110 civiles populis dictabat sedula leges. Nec mala lis fuerat, necdum discordia nota, nec fera seditio furiarat mobile vulgus, saeva nec audaces fuerant freta pressa carinas: sed bubus tracto sulcantes vomere terras,] 115 malebant tenui contenti vivere cultu, [sufficiente Dea justis pleno omnia cornu. Haec manet, in sanctis dum gens manet aurea terris. Sed non argenti nimis est laetata metallo; moribus at versis, prior est quoque versa voluntas, 120 raraque pejori junxit sua numina genti. Sola sed ex raucis descendens montibus ibat sub noctem, nulli teneris blandita loquelis. Sed simul ac magnas hominum venisset ad urbes, improba terrificis sic ulta est crimina verbis: 125 “Non ego me dignor posthac monstrare videndam, degener o primae proles nunc altera prolis, degeneres iterumque iterumque habitura nepotes. Tunc fera bella hominum generi, caedesque nefandae impendent, culpamque comes sua poena sequetur”. 130 Sic ait, et populos intenta etiam ora tenentes linquit et ad montes silvarumque avia tendit. Haec aetas vitam liquit, sobolemque reliquit.] Ferrea tum vero proles exorta repente est, ausaque funestum prima est fabricarier ensem, 135 et gustare manu victum domitumque juvencum. [Tunc mortale exosa genus Dea in alta volavit,] et Jovis in regno, caelique in parte resedit; [illustrem sortita locum, qua nocte serena Virgo conspicuo fulget vicina Bootae. 140 Huic humeros supera duplices convertitur, alam
De Wijnoogster (Praevindemiator / Protrygeter). naar rechts, met de Griekse naam Protrygeter genoemd, een fonkelende ster, van zulk een aanblik en zulk een glans als die welke onder de staart van de reusachtige Beer wentelt. Gene is inderdaad gloeiend; maar ook voor deze Maagd zijn er meer gloeiende sterren, die je met weinig moeite kunt vinden. Want zelfs vóór haar voeten, met grote helderheid getekend, glanst een ster; dan komt de eerste op bij haar schouders, de tweede bij haar lenden. De derde spreidt haar licht onder haar staart, aan de knie zelf. Maar de overige gloeien hier en daar verspreid, zonder naam.
ad dextram, Graio Protrygeter nomine dicta, stella micans, tali specie, tatique nitore, qualis et immensae sub cauda volvitur Arcti. Illa quidem flagrans; sed et huic flagrantia plura 145 sidera, quae parvo poteris reperire labore. Quin etiam ante pedes magno fulgore notata stella nitet: dehinc prima humeros subit, altera lumbos]. Tertia sub caudam ad genus ipsum lumina pandit. [Caetera sed certo passim sine nomine fulgent.] 150
De Tweelingen (Gemini). Maar de Tweelingen, het kroost, zul je onder het hoofd van de Beer zien: onder hun midden gezet is de Krab, en bij hun voeten wordt gehouden de grote Leeuw, de trillende vlam uit zijn lichaam schuddend. Hier ontvouwt het pad van Phoebus zijn hoogste gloed: dan verschijnen geen korenaren door de bebouwde braaklanden; en bij de eerste opgang van de zon door het blauw van de hemel, bij deze beweging van de stralende, zinken de Etesische winden, samengedromd, neer op de wateren van de diepte, en blazen met lange vlaag. Dan behage mij geen roeiriem, die een armzalig vlot vereist, maar een vaartuig ruim genoeg, en geschikt voor de wind met recht roer.
At natos Geminos invises sub caput Arcti: subjectus mediae est Cancer, pedibusque tenetur magnu’ Leo, tremulam quatiens e corpore flammam. [Explicat hic summos ardores semita Phoebi: tunc nullae adparent per culta novalia spicae; 155 principioque adeo solis per caerula caeli] hoc motu radiantis, Etesiae in vada ponti [procumbunt glomerati, et longo flamine spirant. Tunc mihi non remi placeat rati indiga, verum Larga satis, rectoque ad venti commoda clavo. 160
De Wagenmenner (Erichthonius / Auriga). Indien je de Wagenmenner en de sterren van de Wagenmenner wilt kennen, en enig gerucht van de Geit je ter ore is gekomen, en van de Bokjes tegelijk, wier twee lichten de mensen dikwijls zien te midden van de toornige zee, waar lijken worden geslingerd: je zult de Wagenmenner vinden, geweldig; in zijn hele lichaam wordt hij voortgedragen, verborgen onder de linkerzijde van de Tweelingen. Tegenover zijn hoofd houdt de woestogige Helike de wacht. De heldere Geit beslaat zijn linkerschouder; van haar wordt gedacht dat zij eens haar uiers gaf om de nog kleine Dondergod te zogen; de dienaren van Jupiter noemden haar de Olenische geit. Maar zij is begiftigd met een groot en schitterend teken. Daartegenover werpen de Bokjes een klein vuur naar de stervelingen, in de handen van de Wagenmenner; en, in zijn sporen tredend, spant de gehoornde Stier zich in, geschraagd door zijn sterke lichaam, die je door geen moeilijke redenering zou kunnen herkennen.
Si cupis Aurigam atque Aurigae noscere stellas, ullaque fama tuas Caprae pervenit ad aures, Haedorumque simul, quorum duo lumina cernunt saepe per iratum jactata cadavera pontum: Aurigam invenies ingentem: corpore toto] 165 sub laeva Geminorum obductus parte feretur. Adversum caput huic Helicae truculenta tuetur. At Capra laevum humerum clara obtinet: [illa putatur ubera adhuc parvo lactenda dedisse Tonanti; hanc Jovis Oleniam capram dixere ministri.] 170 Verum haec est magno atque illustri praedita signo. Contra Haedi exiguum jaciunt mortalibus ignem [Aurigae in manibus: cujus vestigia servans] corniger est valido connixus corpore Taurus, [quem non difficili ratione agnoscere possis. 175
De Stier (Taurus). Want sterren sieren hem, die geen van buiten gebracht teken behoeven, die zijn levend hoofd aan weerszijden vormgeven, hun befaamde lichten over heel zijn voorhoofd verstrooiend. Deze sterren plachten de Grieken de Hyaden te noemen. Maar de rechtervoet van de Wagenmenner en de linkerhoorn van de Stier flikkeren met één vuur, en beide worden tezamen voortgedragen. Maar de os, terwijl de Wagenmenner voorgaat, zoekt de wijde Oceaan, hoewel zij tegelijk uit de kalme golven der zee oprijzen.
Namque illum exornant externi haud indiga signi sidera, quae vivum caput olli utrimque figurant, inclyta per totam spargentia lumina frontem.] Has Graeci stellas Hyadas vocitare suerunt. [Sed pes Aurigae dexter, cornuque sinistrum 180 Tauri uno igne micant, pariterque feruntur uterque. At prior Auriga latum petit Oceanum bos, quum tamen e placidis surgant simul aequoris undis.
Cepheus. Bovendien is het zeer oude huis van Cepheus, de zoon van Iasus, om zijn eigen rampen bekend, dat Jupiter, de verwekker van zijn geslacht, plotseling onder de befaamde gesternten zette. Want hij zelf wentelt aan de rug zelf van de Beer Kynosoura, de zoon van Iasus, zijn armen met gespreide handpalmen uitstrekkend; en vanaf de buitenste staart van de Beer bakent een meetlijn elke voet af, zo ver als voet van voet staat.
Quin etiam Iasidae domus antiquissima Cephei aerumnis est nota suis, quam Jupiter, auctor 185 progenii, subito praeclaris intulit astris.] Namque ipsum ad tergum Cynosurae vertitur Arcti [Iasides, pansis distendens brachia palmis; tantaque ab extrema cauda disterminat Arcti regula utrumque pedem, quanta pes a pede distat. 190
Cassiepeia. Maar indien je je ogen een weinig van de gordel van Cepheus zou afwenden, gekeerd naar de voorste gelederen van de woeste Draak, hier zal Cassiepeia zijn, die je bij volle maan niet zou kunnen zien, duister in de aanblik van haar sterren. Want haar sterren staan niet dicht, noch stellen samengevoegde gesternten uit hun verscheiden vuren één voortreffelijk vuur samen: maar gelijk de grendel, gezet tegen het blad van een dubbele deur, de met een balk verstevigde poorten dicht sluit, zo geven ook deze sterren, elk apart gezet, haar deze gestalte; en zijzelf is met gespreide armen uitgestrekt, niet anders dan een die het onrechtvaardige lot van een dochter beklaagt.
Quod si a Cephaeo paulum tua lumina balteo dimoveas, versus saevi agmina prima Draconis, hic erit, haud plena poteris quam cernere luna,] obscura specie stellarum Cassiepea. [Nam non crebrae illi stellae, neque sidera juncta 195 egregium ex variis componunt ignibus ignem: sed quali portas firmatas objice clavi obcludit vectis bifori vis obdita valvae, talia et hanc etiam prive disposta figurant sidera ; et ipsa adeo passis distenditur ulnis, 200 non secus ac sortem natae miseretur iniquam.]
Andromeda. Want vlak naast haar wentelt, met glanzend lichaam, Andromeda, in droefheid de aanblik van haar moeder ontvluchtend: om haar ’s nachts op te sporen vergt geen angstige moeite; zo helder is haar hoofd, met zulk een grote ster gloeien beide schouders, en haar bovenste voeten, en haar wapperende gewaden. Ook zij strekt haar armen naar verschillende streken uit, en, gelijk voorheen, zo verlichten ook nu in het grote firmament haar ketenen haar handpalmen niet, vermoeid door hun harde gewicht.
Hanc namque illustri versatur corpore propter Andromeda, aufugiens conspectum moesta parentis: [quam non sollicitus noctu labor inquirendi; tam clarum caput est, tam magno sidere flagrant 205 ambo humeri, summique pedes, vestesque fluentes. Haec etiam in varias distendit brachia partes, utque prius, sic nunc in magno vincula mundo non relevant duro defessas pondere palmas.]
Het Paard (Equus / Pegasus). Naast haar raakt dat Paard, zijn manen met flonkerende glans schuddend, de top van haar hoofd met zijn buik, en één ster, die zich verbindt, houdt de twee gestalten met een gemeenschappelijk licht, verlangend uit de sterren een eeuwige knoop te knopen. Maar drie sterren beschilderen de flank en schouders van het ros, sterren die op gelijke afstand van elkaar staan, van onovertroffen helderheid, waaraan noch het hoge hoofd gelijk is, noch de lange nek; maar de laatste van de gloeiende kaak doet voor deze andere vier in helderheid niets onder, zelf uitschijnend, de middelste te midden van de glanzende sterren. Geen viervoeter is hij hier inderdaad, maar tot het midden van de buik toont het edele ros zijn eerbiedwaardige gelaat in het oog vallend. Het verhaal gaat dat hij eens, bij de hoogste ruggen van de Helikon, ons de bron van Hippokrene heeft geschonken. Toen was het groen van de Aonische berg nog niet bevochtigd met het vruchtbare nat; zodra de hoef van het edele veulen de grond trof, sprong terstond een geweldige bron tevoorschijn, waaraan de eerste herders de naam paardenbron gaven. Die bron, druppelend uit de rotsen, bevloeit uw velden, land van Thespiae; maar het Paard siert, voor zulk een grote gave, de heldere binnenste vertrekken van de grote hemel.
Huic Equus ille jubam quatiens fulgore micanti 210 summum contingit caput alvo, stellaque jungens una tenet duplices communi lumine formas, aeternum ex astris cupiens connectere nodum. [Sed latus atque armos depingunt terna caballi, aequali a sese spatio quae sidera distant, 215 eximio fulgore, quibus par nec caput altum, nec longa est cervix: flagrantis at ultima malae quatuor his aliis non cedat stella nitore, fulgentes inter stellas media ipsa refulgens. Non equidem hic quadrupes, verum media tenus alvo 220 conspicuus profert sonipes venerabilis ora. Hunc fama est olim propter juga summa Heliconis Hippocrenaeum nobis donasse liquorem. Tunc nondum Aonii maduere virentia montis fecundo latice: ut generosi prima cabalii 225 ungula humum feriit, simul ingens prosiliit fons, unde caballinum primi vocitare bubulci. Ille quidem stillans e saxis irrigat agros, Thespia terra, tuos; sed Equus, pro munere tanto, exornat magni penetralia lucida caeli.] 230
De Ram (Aries). Vervolgens klemt de Ram zich vast, met zijn gekromde horens. Hij inderdaad, voor eeuwig door zijn lange banen voortgedreven, loopt niet trager dan het teken van de Beer Kynosoura, toch mat en duister, alsof de maan de scherpte van zijn vlam zou afstompen, wentelt hij dicht bij de gordel van Andromeda. Van nabij, onder haar, kun je hem aan deze steun herkennen: want hij betreedt het middelste deel van de hemel, zoals voorheen die Scharen, en de borst waar Orion onderscheiden wordt.
Exin contortis Aries cum cornibus haeret. [Ille quidem aeternum longos agitatus in orbes segnior haud currit signo Cynosuridos Arcti, languidus obscurusque tamen, ceu luna retundat flammae aciem, Andromedae se propter cingula volvit.] Cominus hanc subter possis cognoscere fultum: 235 nam caeli mediam partem terit, ut prius illae Chelae, tum pectus qua cernitur Orionis.
De Driehoek (Deltoton). En dichtbij zul je een klein teken zien, onder de heldere borst van Andromeda, dat de Grieken Deltoton plegen te noemen, omdat de figuur met de gelijke gestalte van hun letter schijnt. Voor dit teken steekt elke zijde uit, met gelijke lengte getrokken; maar niet het derde deel van de zijde, want dat is kleiner dan zij, toch schijnt het uit, befaamd, met dicht opeen gezette sterren.
Et prope conspicies parvum, sub pectore claro Andromedae, signum, Deltoton dicere Graii 240 quod soliti, simili quia forma litera claret. Huic spatio ductum simili latus exstat utrumque; at non tertia pars lateris; namque est minor illis, sed stellis longe densis praeclara relucet.
De Vissen (Pisces). Een weinig lager is de Ram, en meer geneigd naar de zuidenwind; en nog heviger dan hij de Vissen, waarvan de ene een weinig vooruit glijdt, en meer geraakt wordt door de gruwelijk gierende vleugels van de Noordenwind. En vanuit hun staarten, als ketenen van brons, lang van elkaar gewend, kruipen zij door de lichten, en klemmen zich ten slotte gemeenschappelijk vast aan één ster, die de Ouden de Hemelse Knoop plachten te noemen.
Inferior paullo est Aries, et flamen ad Austi 245 inclinatior, atque etiam vehementius illo Pisces, quorum alter paullum praelabitur ante, et magis horrisonis Aquilonis tangitur alis. Atque horum e caudis duplices velut aere catenae, discessuque diu versae per lumina serpunt, 250 Atque una tandem in stella communiter haerent, quam Veteres soliti caelestem dicere Nodum.
Perseus. Indien je vanaf de linkerschouder van Andromeda verder gaat zoeken, zul je de Vis kunnen herkennen die boven haar gezet is; uit haar voeten gesproten zul je Perseus zien, de zoon van de machtige Jupiter, voeten die Perseus aan zijn schouders houdt, zijn lichaam stevig geplant, wanneer de vlagen vanuit de bovenste streek van het Noorden slaan. Hij strekt zijn rechterhand naar de zetel van Cassiepeia, en zijn voeten uiteen, met passende vleugelschoenen gebonden, als ware hij, met stof bedekt, plotseling van de aarde opglijdend, een reiziger die zich naar de hemel draagt, onder het grote gewelf.
Andromedae laevo ex humero si quaerere perges, adpositum supera poteris cognoscere Piscem: e pedibus natum summo Jove Persea vises, 255 quos humeris retinet defixo corpore Perseus, quum summa ab regione Aquilonis flamina pulsant. Hic dextram ad sedes intendit Cassiepeae, diversosque pedes, vinctos talaribus aptis, pulverulentus uti de terra elapsu’ repente, 260 in caelum vector magno sub culmine portat.
De Plejaden (Vergiliae). Maar naast de linkerknie, aan alle kanten gezet, zul je de kleine Plejaden met hun dunne licht zien. Deze zeven worden gewoonlijk genoemd, naar oud gebruik, als sterren, doch in werkelijkheid worden er zes gezien, klein rondom. Maar het past niet te menen dat er één is vergaan; veeleer is het vergeefs, lichtvaardig, door de menigte, zonder enige redenering, dat zij zeven worden geheten, zoals de oude dichters het vaststelden, die hen allen door de eeuwen heen met een eeuwige naam waardig keuren: Alkyone, en Merope, Kelaeno, en Taygete, Elektra, en Sterope, en met hen de allerheiligste Maia. Deze schijnen zwak, glijdend met een klein licht: toch is de naam van het teken groot, en wordt befaamd genoemd, omdat het zowel het begin van de zomer verheldert, als daarna, de opkomst van het wintergetijde ontvouwend, de stervelingen vermaant het zaad aan de aarde toe te vertrouwen.
At propter laevum genus omni ex parte locatas parvas Vergilias tenui cum luce videbis. Hae septem vulgo perhibentur more vetusto stellae, cernuntur vero sex undique parvae. 265 At non interiisse putari convenit unam; sed frustra temere a vulgo ratione sine ulla septem dicier, ut veteres statuere poetae, aeterno cunctas aevo qui nomine dignant: Alcyone, Meropeque, Celaeno, Taygeteque, 270 Electra, Steropeque, simul sanctissima Maia. Hae tenues parvo labentes lumine lucent: at magnum nomen signi, clarumque vocatur, propterea quod et aestatis primordia clarat, et post, hiberni praepandens temporis ortus, 275 admonet, ut mandent mortales semina terris.
De Lier (Lyra). Vervolgens wordt de Lier gezien, licht gezet en gewelfd; die Mercurius, naar men zegt, eens met zijn kleine handen in de wieg vervaardigde, en in een hoge zetel plaatste; die, neerglijdend, zich vestigde bij de linkerknie van de Knielende, en zich vasthechtte tussen de gebogen knie van de Knielende en het hoofd van de Vogel.
Inde Fides leviter posita et convexa videtur; Mercurius parvis manibus quam dicitur olim in cunis fabricatus in alta sede locasse; quae genus ad laevum Nixi delapsa resedit, 280 atque inter flexum genus, et caput Alitis haesit.
De Zwaan (Cycnus). Want daar is de Vogel, de gevleugelde, die onder het brede dak van de hemel vliegt, en, glijdend, de lucht met zijn beide vleugels klieft. Het ene deel van hem is duister, en van licht beroofd; het andere brandt met lichten noch klein noch helder, maar werpt een matig licht, het uit zijn lichaam schuddend. Zijn rechtervleugel streeft ernaar de rechterhandpalm van Cepheus te raken; en nu reeds heeft de hoef van het sterke Paard, dichtbij de vleugel van zijn gevleugelde lichaam, zich scherp neergebogen.
Namque est Ales avis, lato sub tegmine caeli quae volat, et serpens geminis secat aera pennis. Altera pars huic obscura est, et luminis expers: altera nec parvis, nec claris lucibus ardet, 285 sed mediocre jacit quatiens e corpore lumen. Haec dextram Cephei dextro pede pellere palmam gestit ; jam vero clinata est ungula vemens fortis Equi propter pennati corporis alam.
Het Paard, de Steenbok en de Waterman (Equus). Maar dat Paard zelf wordt, glijdend, door beide Vissen gehouden; zijn nek aan de rechterzijde wordt door de Waterman gestreeld. Later bezoekt de kracht van het Paard de ondergangen der aarde dan de koude Steenbok, kille vorst ademend uit zijn sterke lichaam, de grote borsteldragende Steenbok in zijn baan; die, wanneer Titan hem in ononderbroken licht heeft gekleed, zijn wagen buigt en wendt in het wintergetijde. Hoed je je in deze maand aan de zee toe te vertrouwen: want het daagse bestek zal over geen grote lengte glijden; de winternacht zal niet in een snelle omloop worden voortgewenteld; de vochtige dageraad zal zich op uw klachten niet sneller tonen, herautin van de heldere zon. Maar de Zuidenwind zal de zee met machtige kracht beuken; dan zal het gespleten lichaam door huiverende koude geschud worden. Toch glijden de jaren nu voort door het hele jaargetijde, en wijken voor geen van de tekens, en mijden geen vlagen, noch vrezen zij de grijze golven met hun dreigend gebulder. Maar de zeelieden, gelijk meerkoeten en de zwemmende duiker, hun angstige ogen over heel de zee werpend, zoeken vergeefs de kusten die hun nergens gehoorzamen, terwijl een dunne plank hen scheidt van de zwarte Orcus.
Ipse autem labens utrisque Equus ille tenetur 290 Piscibus; huic cervix dextra mulcetur Aquari. Serius haec obitus terrai visit Equi vis, quam gelidum valido de corpore frigus anhelans corpore setifero magno Capricornus in orbe; quem quum perpetuo vestivit lumine Titan, 295 brumali flectens contorquet tempore currum. Hoc cave te ponto studeas committere mense: nam non longinquum spatium labere diurnum; non hiberna cito volvetur curriculo nox: humida non sese vestris aurora querelis 300 ocius ostendet, clari praenuntia solis. At validis aequor pulsabit viribus Auster: tum fissum tremulo quatietur frigore corpus. Sed tamen anni jam labuntur tempore toto, nec cui signorum cedunt, neque flamina vitant, 305 nec metuunt canos minitanti murmure fluctus. [At nautae, fulicae similes, mergoque natanti, anxia per totum jactantes lumina pontum, necquidquam nusquam parentia litora quaerunt, dum tenuis nigro tabula hos distinguit ab Orco]. 310
De Boogschutter (Sagittipotens / Sagittarius). En ook in de maand daarboven, wanneer schip en zee bevaren worden, wanneer de Boogschutter de schijf van de zon omhooghoudt, meen niet dat veel lichtere gevaren dreigen, en trek behoedzaam je achtersteven omhoog vóór de zwarte duisternis. Want nu is van nabij, voor korte tijd, het licht aanwezig. Zeelieden zullen dit teken bij zijn komst kunnen voorkennen: want, met de nacht dicht bij het vallen, zal het geoorloofd zijn te zien hoe de Schorpioen, zich tonend, hoog oprijst, achter zich, door de kracht van zijn lichaam, de gebogen Boog meeslepend. Maar de Schorpioen gaat niet veel voor; toch komt hij eerder uit de golven. Nu zul je boven zien dat het hoofd van de kleinere Beer daar is, en zich rechter wendt naar de hoogste baan. Dan begraaft Orion nu zijn hele lichaam nabij het uiterste einde van de nacht, en Cepheus wordt diep verborgen tot aan zijn lenden, door de hand neergestoten in de schaduwen.
Atque etiam supero, navi pelagoque vagato, mense, Sagittipotens solis quum sustinet orbem, [non multo leviora putes instare pericla, ante nigras cautus tenebras subducere puppim]. Nam jam comminus exiguo lux tempore praesto est. 315 Hoc signum veniens poterunt praenoscere nautae: nam prope praecipitante licebit visere nocte, ut sese ostendens emergit Scorpius alte, posteriore trahens flexum vi corporis Arcum. [Sed Nepa non multum prior, at prior exit ab undis.] 320 Jam supera cernes Arcti caput esse minoris, et magis erectum ad summum versarier orbem. Tum sese Orion toto jam corpore condit extrema prope nocte, et Cepheus conditur alto lumborum tenus, a palma depulsus ad umbras. 325
De Pijl (Sagitta). Hier, zonder schutter, ligt één glanzende Pijl, waarnaast de helderveerige Vogel rondwentelt; en hij is een weinig meer naar de luchten van het Noorden geneigd.
Hic, missore vacans, fulgens jacet una Sagitta, quam propter nitens penna convolvitur Ales; et clinata magis paullo est Aquilonis ad auras.
De Adelaar (Aquila). Maar daarnaast draagt de Adelaar zich met brandend lichaam, de vuurdragende ether met sidderende vleugels strelend, niet met al te geweldig lichaam, doch een teken dat, smartelijk voor de bedroefden, hij aan de zeelieden toont, de wateren verontrustend.
At propter se Aquila ardenti cum corpore portat, igniferum mulcens tremebundis aethera pennis, 330 non nimis ingenti cum corpore, sed grave moestis ostendit nautis perturbans aequora signum.
De Dolfijn (Delphinus). Dan, nabij de horens van de grote Steenbok, ligt de gekromde Dolfijn, verlicht met geen overdreven glans; behalve de viervoudige sterren die in zijn voorhoofd geplaatst zijn, die één tussenruimte in paren afscheidt: het overige deel van hem, breed, kruipt voort met een dun licht. Die lichten die uit zijn flonkerende muil gloeien, zijn gezet onder de koude delen naar de Noordenwind, en tussen de ruimte en de sporen van de blijde zon. Maar het onderste deel van de Dolfijn schijnt uitgegoten tussen het pad van de zon en de vlagen van de wind, waar de adem van de hoogste Zuidenwind met kracht uitbreekt.
Tum magni curvus Capricorni cornua propter Delphinus jacet, haud uimio lustratu’ nitore; praeter quadruplices stellas in fronte Iocatas, 335 quas intervallum binas disterminat unum: caetera pars lata tenui cum lumine serpit. Illae quae fulgent luces ex ore corusco, sunt inter partes gelidas Aquilone locatae, atque inter spatium et laeti vestigia solis. 340 At pars inferior Delphini fusa videtur inter solis iter, simul inter flamina venti, viribus erumpit qua summi spiritus Austri.
Orion. Vervolgens houdt Orion, met scheef lichaam zich inspannend, de onderste delen van de woestogige Stier vast. Wie hem, opziend naar de hemel in heldere nacht, niet wijd uitgespreid heeft gezien, kan nauwelijks waarlijk hopen de overige tekens te kunnen kennen.
Exinde Orion, obliquo corpore nitens, inferiora tenet truculenti corpora Tauri. 345 Quem qui, suspiciens in caelum nocte serena, late dispensum non viderit, haud ita vero caetera se speret cognoscere signa potesse.
De Hond (Canis / Sirius). Want onder zijn voeten schijnt met roodgloeiend licht die brandende Hond, fonkelend met het licht van zijn sterren. Een duistere buik bedekt hem onder de borst; noch barst hij, vlam ademend uit zijn hele razende lichaam, met sterke vlagen in hittedragende vuren uit. Geheel uit zijn muil schijnend wordt de gloed naar de stervelingen geworpen: de Grieken noemen hem met de befaamde naam Sirius. Wanneer deze Hond zich, samen met de zon, tot de toppen van de hemel heeft verheven, gedoogt hij niet dat de bomen, in de beschutting van hun loof, hun vruchten vergeefs in spanning gehouden houden. Want voor die wier wortels de aarde omklemd heeft gegrepen, streelt deze Hond, hun leven vermeerderend, hen met levenwekkende vlam. Maar voor die wier wortels de aarde niet kunnen klieven, ontbloot hij de takken van loof en de stammen van bast. Wij voelen hem ook terwijl hij zich naar de westelijke kusten uitstrekt. De overige sterren zijn zwak om zijn ledematen af te tekenen.
Namque pedes subter rutilo cum lumine claret fervidus ille Canis, stellarum luce refulgens. 350 Hunc tegit obscurus subter praecordia venter: nec toto spirans rabido de corpore flammam aestiferos validis erumpit flatibus ignes. Totus ab ore micans jacitur mortalibus ardor: [Sirion hunc Graeci praeclaro nomine dicunt.] 355 Hic ubi se pariter cum sole in culmina caeli extulit, haud patitur foliorum tegmine frustra suspensos animas arbusta ornata tenere. Nam quorum stirpes tellus amplexa prehendit, haec augens anima, vitali flamme mulcet. 360 At quorum nequeunt radices findere terras, denudat foliis ramos et cortice truncos. [Tendentem occiduas etiam hunc sentimus ad oras. Caetera signandis sunt languida sidera membris.]
De Haas (Lepus). Naast hem, en onder de voeten waarvan wij eerder spraken, van Orion, ligt de lichtvoetige Haas. Hij vlucht, vrezend de vreselijke slagen van de scherpe muil, bevend: want de Hond achtervolgt zijn sporen met vijandige loop, hem halsoverkop voortjagend, nu juist nog maar pas opkomend, zijn ren nimmer stakend met onvermoeid lichaam.
Hunc propter, subterque pedes, quos diximus ante, 365 Orioni’ jacet levipes Lepus. Hic fugit, ictus horrificos metuens rostri tremebundus acuti: nam Canis infesto sequitur vestigia cursu praecipantem agitans, oriens jam denique paullum, curriculum numquam defesso corpore sedans. 370
Het Schip (Argo). Maar aan de staart van de Hond glijdt, kruipend, de Argo voort, voor zich uit zijn omgewende achtersteven met licht dragend: niet zoals andere schepen plegen hun stevens vooruit te zetten in de diepte, de Neptunische weiden met hun snavel klievend; maar achterwaarts gewend draagt zij zich door de streken van de hemel. Gelijk wanneer zij beginnen de veilige havens te bereiken, de zeelieden het schip met zijn groot gewicht omwenden, en de omgekeerde achtersteven naar de verlangde kust trekken; zo glijdt de oude Argo, omgewend, over de bovenlucht; en van de voorsteven tot aan de hoge mast is zij zonder licht, maar van de mast tot de achtersteven wordt zij met een heldere gloed gezien. Dan raakt het roer, schijnend met verstrooid licht, de achterste sporen van de heldere Hond.
At Canis ad caudam serpens prolabitur Argo, conversam prae se portans cum lumine puppim: non aliae naves ut in alto ponere proras ante solent, rostro Neptunia prata secantes; sed conversa retro caeli se per loca portat. 375 Sicut quum coeptant tutos contingere portus, obvertunt navem magno cum pondere nautae, aversamque trahunt optata ad litora puppim; sic conversa vetus super aethera labitur Argo; atque usque a prora ad celsum sine lumine malum, 380 a malo ad puppim clara cum luce videtur. Inde gubernaclum, dispersa lumine fulgens, clari posteriora Canis vestigia tangit.
Het Zeemonster (Pistrix / Cetus). Vervolgens, ver weg en in veiligheid gezet, dringt het woeste Zeemonster toch voort, zoekend Andromeda op te sporen, en volgt haar spoor, overal gezet naar de sterke luchten van het Noorden, in het blauw, begrensd in de delen van het Zuiden.
Exin semotam procul in tutoque Iocatam Andromedam tamen explorans fera quaerere Pistrix 385 pergit, et usque sitam validas Aquilonis ad auras caerula vestigat, finita in partibus Austri.
De Rivier (Eridanus). De Ram bedekt haar, en de Vissen met hun schubbige lichaam, terwijl zij met haar lichaam de oevers van de heldere rivier raakt. Want je zult ook Eridanus zien, gezet in een deel van de hemel, die treurige rivier van grote kracht, die de rouwende zusters van Phaëthon dikwijls besprenkelden met hun tranen, zijn dood met droevende stem bezingend. Deze Slang kun je onder de linkerzool van Orion zien; en je zult de lange Ketenen zien, die de Vissen vasthouden, gezet aan het deel van hun staarten, vermengd met de rivier, achterwaarts terugkerend naar de rug van het Zeemonster. Hier worden zij door één enkele ster gebonden, die de ruggengraat van het Zeemonster uit zich werpt, schijnend met sterk licht. Vervolgens worden vele kleine met dun licht uitgegoten en verstrooid gezien tussen het Zeemonster, en alle sterren die de Haas, de scherpe beet vrezend, bedekt, en het roer. Voor deze schenen noch naam noch vaste gestalte de Ouden te hebben vastgesteld. Want die welke de natuur met heldere sterren heeft gepolijst, en beschilderd, hun gestalten met verscheiden licht aftekenend, deze tekende die wachter der sterren met redenering, en merkte de hemelse tekens met een ware naam. Maar deze, die met weinig licht uitgegoten zijn, sterren van gelijke aanblik en gelijke helderheid, kon hij ons met geen bekende figuur verhelderen.
Hanc Aries tegit, et squammoso corpore Pisces, fluminis illustris tangentem corpore ripas. Namque etiam Eridanum cernes in parte Iocatum 390 caeli, funestum magnis cum viribus amnem, quem lacrymis moestae Phaethontis saepe sorores sparserunt, letum moerenti voce canentes. Hunc Orionis sub laeva cernere planta Serpentem poteris; proceraque Vincla videbis, 395 quae retinent Pisces, caudarum parte locata, flumine mixta retro ad Pistricis terga reverti. Hic una stella nectuntur, quam jacit ex se Pistricis spina valida cum luce refulgens. Exinde exiguae tenui cum lumine multae 400 inter Pistricem fusae sparsaeque videntur atque gubernaclum stellae quas contegit omnes formidans acrem morsum Lepus. His neque nomen, nec formam Veteres certam statuisse videntur. Nam quas sideribus claris natura polivit, 405 et vario pinxit distinguens lumine formas, has ille astrorum custos ratione notavit, signaque signavit caelestia nomine vero. Has autem, quae sunt parvo cum lumine fusae, consimili specie stellas, parilique nitore, 410 non potuit nobis nota clarare figura.
De Zuidervis (Piscis Australis). Vervolgens wentelt die welke zij de Zuidervis plegen te noemen lager dan de Steenbok, naar het Zuiden, het Zeemonster bewakend, ver van die andere Vissen klevend.
Exinde, Australem soliti quem dicere Piscem, volvitur inferior Capricorno versus ad Austrum, Pistricem observans, procul illis Piscibus haerens.
De Waterman (Aquarius). Maar nabij zul je, geheel van een naam beroofd, tussen het Zeemonster en de Vis die wij de Zuidervis noemden, sterren onder de voeten van de stralende Waterman verstrooid zien. Naast hen giet de Waterman uit zijn rechterhand de duistere stroom, die met de geringe blankheid van zijn sterren glanst. Toch glanzen van de velen twee lichten wijd en zijd: het ene zal onder de grote voeten van de Waterman gezien worden; het andere, gevallen uit de koude stroom van de bron, heeft zich vastgehecht onder de doorndragende staart van het Zeemonster; deze dunne sterren worden met de naam Wateren aangeduid. Hier fladderen andere, helder met een klein licht, en gaan onder de voorste sporen van de voeten van de grote Boogdrager, en, duister, wijken zonder naam.
At prope conspicies expertes nominis omnes, 415 inter Pistricem et Piscem quem diximus Austri, stellas sub pedibus sparsas radiantis Aquari. Propter Aquarius obscurum dextra nigat amnem, exiguo qui stellarum candore nitescit. E multis tamen his duo late lumina fulgent: 420 unum sub magnis pedibus cernetur Aquari: quod superest, gelido delapsum flumine fontis, spiniferam subter caudam Pistricis adhaesit; hae tenues stellae perhibentur nomine Aquai. Hic aliae volitant parvo cum lumine clarae, 425 atque priora pedum subeunt vestigia magni Arcitenentis, et obscurae sine nomine cedunt.
Het Altaar (Ara). Dan, naast de glanzende punt van de Schorpioen, zul je het Altaar zien, dat de adem van de Zuidenwind met zijn vlaag streelt, dat voor korte tijd over de drempels daarboven heen vaart: want het is ver weg gezet, in het deel tegenover Arcturus. Aan Arcturus gaf Jupiter grote ruimte daarboven; aan het Altaar gaf hij een kleine baan in het onderste deel. Toch gaf deze nacht, die deze streken in haar eeuwige loop bezoekt, tekens aan de zeelieden opdat allen ze konden kennen, zich erbarmend over het te vrezen lot der mensen aan alle kanten. Want wanneer je, glanzend zonder donkere wolken, het Altaar onder de middelste streek van de hemel gezet ziet, zijn bovenste deel met donkere nevel bedekt, mijd dan, het ontwijkend, de Zuidenwind met zijn machtige kracht: die, indien je hem voorziend hebt ontweken, al je takelwerk zorgvuldig op zijn plaats zettend, zul je veilig door de golven glijden. Maar indien een zware wind met heftige vlaag neerslaat, zal hij de hoge masten met vastgezet hout breken, zodat niets de woeste stormen kan verzachten, tenzij het Altaar de donkere wolk vanuit het deel van het Noorden begint te verdrijven, en haar met plotselinge luchten uiteendrijft.
Inde Nepae cernes propter fulgentis acumen Aram, quam flatu permulcet spiritus Austri, exiguo superum quae limina tempore tranat: 430 nam procul Arcturo est adversa parte locata. Arcturo magnum spatium supera dedit, orbem Jupiter huic parvum inferiore in parte locavit. Haec tamen aeterno invisens loca curriculo nox signa dedit nautis, cuncti quae noscere possent, 435 commiserans hominum metuendos undique casus. Nam quum fulgentem cernes, sine nubibus atris, Aram sub media caeli regione locatam, a summa parte obscura caligine tectam, tum validis fugito devitans viribus Austrum: 440 quem si prospiciens vitaveris, omnia caute armamenta locans, tuto labere per undas. Sin gravis inciderit vehementi flamme ventus, perfringet celsos defixo robore malos, ut res nulla feras possit mulcere procellas, ni parte ex Aquilonis opacam pellere nubem coeperit, et subitis auris diduxerit Ara.
De Centaur (Centaurus). Maar indien de Centaur zijn schouders in het midden van de hemel zal hebben, en hijzelf met een blauwe wolk bedekt zal worden voortgedragen, en het Altaar, verduisterd, met een dunne schaduw zal kleden, dan is bij de ondergang van de tekens de kracht van de Westenwind te vrezen. Maar die Centaur, in een hoge zetel gezet, waar de Schorpioen zich gloeiend en helder voortbeweegt, hieronder, zijn eigen mannelijk deel voor zich dragend, wijkt, zich haastend zijn paardendelen onder de Scharen te schikken. Hier, zijn rechterhand uitstrekkend, waar het reusachtige viervoetige beest gehouden wordt, dat niemand van de Grieken een zekere naam heeft gegeven, reikt hij, en, woest, wendt zich naar het heldere Altaar.
Sin humeros medio in caelo Centaurus habebit, ipseque caerulea contectus nube feretur, atque Aram tenui caligans vestiet umbra, 450 ad signorum obitum vis est metuenda Favoni. Ille autem Centaurus in alta sede Iocatus, qua sese clarum collucens Scorpius infert, hac subter partem praeportans ipse virilem cedit, Equi partes properans subjungere Chelis. 455 Hic dextram porgens, quadrupes qua vasta tenetur, quam nemo certo donavit nomine Graium, tendit, et illustrem truculentus cedit ad Aram.
De Waterslang (Hydra). Hier verheft de Hydra zich uit de onderste delen, met halsoverkop glijden, een slang met gebogen lichaam. Haar hoofd en ogen wendend naar de rug van de Schorpioen, en, met welvende kronkel, onder de onderste delen van de Leeuw door gaand, raakt zij de Centaur, glibberig, met haar gladde staart: en in het midden van haar kronkel schijnt de glanzende Beker terug: aan haar einde pikt de Raaf, flonkerend met geveerd lichaam, met zijn snavel. En hier, onder de Tweelingen zelf, vóór de Hond, is hij die met de Griekse naam Procyon wordt aangeduid. Dit zijn de tekens die je, in de nachtelijke tijd waarnemend, en de eeuwige beweging van het firmament willend kennen, de hemel in hun wettige loop ziet doorkruisen. Want die vijf sterren die plegen te glijden door de baan van de twaalf Tekens kunnen niet met dezelfde redenering getekend worden; omdat de sporen die zij in hun loop maken niet altijd, gladgesleten, over dezelfde ruimte worden voortgedragen. Zo verkiezen zij liever te dwalen, dolend door de wolken van de hemel, en hun banen met een verscheiden beweging te meten. Deze maken de grote jaren van lange tijd, wanneer zij naar hetzelfde teken onder het dak van de hemel terugkeren: wier volle loop ik nu niet kan ontvouwen. Maar deze, die altijd in een vaste baan wentelen, vast, zal ik uiteenzetten, samen met de grote kringen, voor de volkeren.
Hic sese infernis de partibus erigit Hydra praecipiti lapsu, flexo cum corpore serpens. 460 Haec caput atque oculos torquens ad terga Nepai, convexoque sinu subiens inferna Leonis, Centaurum leni contingit lubrica cauda: in medioque sinu fulgens Cratera relucet: extremum nitens plumato corpore Corvus 465 rostro tundit. Et hic, Gemninis est ille sub ipsis ante Canis, Graio Procyon qui nomine fertur. Haec sunt, quae visens nocturno tempore signa, aeternumque volens mundi cognosecre motum, legitimo cernes caelum lustrantia cursu. 470 Nam quae per bis sex Signorum labier orbem quinque solent stellae, simili ratione notari non possunt; quia, quae faciunt vestigia cursu, non eadem semper spatio protrita feruntur. Sic malunt errare vagae per nubila caeli, 475 atque suos vario motu metirier orbes. Hae faciunt magnos Ionginqui temponis annos, quum redeunt ad idem caeli sub tegmine signum: quarum ego nunc nequeo totos evolvere cursus. Verum haec, quae semper certo volvuntur in orbe, 480 fixa, simul magnos edemus gentibus orbes.
De Hemelkringen. Vier kringen, die het firmament met eeuwig licht doorkruisen, worden voortgedragen, sterrendragend, hun tekens dragend, de aarde omarmend, geschraagd onder het dak van de hemel: uit deze zul je de fladderende lichten der jaren leren kennen, die het mogelijk zal zijn te onderscheiden, met dichte tekens afgetekend. Dan de grote kringen, breed met groot licht, aan elkaar gebonden en met hemelse knopen verbonden, twee zul je op gelijke afstand van twee gezet zien. Want indien je, de hemel in de nachtelijke tijd lerend, wanneer geen verduisterende nevel de sterren heeft weggewist, en de Maan de sterren niet met vol licht heeft overtroffen, een grote witte Kring helder hebt zien kruipen: deze wordt getekend, de Melkkring, gloeiend met overmatige blankheid. Deze weeft geen ononderbroken baan uit. Vier andere worden voortgedragen, glanzend met gelijke massa: maar er wordt gezegd dat zij de bovenste twee in omspan veel overtreffen, en wijd door de holten van de hemel reiken. Van deze wentelt de ene, de luchten van het Noorden rakend, het heldere gelaat van de Tweelingen zoekend; dan, de gloeiende knie in zich houdend, draagt hij beide schouders van de Wagenmenner. Deze raakt Perseus met zijn linkerkuit en linkerschouder. Maar hij wordt aan de rechterzijde van Andromeda gehouden; haar hand kijkt naar het Noorden, haar elleboog naar het Zuiden. Het Paard zet zijn beide voeten erop; en tegelijk zet de Vogel zijn hoofd erop, en, zijn lichaam gebogen, zijn rug. De Slangendrager spant zich ertegen in met zijn schouders. Zij, terugwijkend, volgt het Zuiden, de Maagd, hem met haar lichaam ontwijkend. Maar de hele omspan zal de grote Leeuw kleden, en de Krab, schijnend met helder licht, waarin, stilstaand, de zomerzon haar loop terugwendt, haar overgangen met haar lichaam in het midden aftekenend. Hier is hij geheel in het midden gescheiden: die andere heeft, onder de holle bedekkingen van de schaal, licht van binnen en van buiten: maar de geduchte kracht van de woeste Leeuw bezit de baan met zijn sterke borst en buik. Indien je deze kring in acht delen verdeeld kunt kennen, zul je vinden dat er in de bovenste baan vijf rondwentelen op gelijke afstand, en dat er drie delen zijn overgelaten, die de onderwereldse kracht in de nachtelijke tijd bezoekt. De ene is met de Krab verbonden vanuit de luchten van Boreas; de andere spant zich, daartegenover, in vanuit de onderwereldse Zuidenwinden. Het midden verdelend, snijdt deze onder de Steenbok door, en de voeten van de Waterman die zijn koude stroom giet, en de blauwe staart van het woeste Zeemonster, en die glanzende Haas; dan de voeten van de Hond, en tegelijk houdt zij het brede Argivische Schip met haar helder licht; en de rug van de Centaur, en draagt de punt van de Schorpioen; dan bezit zij de geplante Boog van de Boogschutter. Deze kring, wijkend van de helderklinkende luchten van het Noorden naar het Zuiden, raakt het brandende rad van de Zon als laatste; vandaar, gebogen in het wintergetijde, herwint hij zijn zetels in den hoge. Aan deze kring zijn vijf delen van de nacht toebedeeld, drie worden aan het bovenste licht toegeschreven. Tussen deze twee schijnt hij het middelste deel te houden, zo groot als de gloeiende Melkkring zal zijn: waarin, in de herfst, en weer in het voorjaarslicht, de zon de omvang van de dag gelijkmaakt aan de tijd van de nacht. Deze houdend gloeit de Ram zwak met heel zijn lichaam, en de geweldige Stier spant zich in met gebogen knie. Orion wordt voortgedragen, hem met zijn heldere borst rakend. De Hydra houdt hem met haar kronkel; de Beker en de Raaf kleven eraan, en enkele sterren van de Scharen: eveneens de knieën van de Slangendrager, en de Vogel, de gevleugelde bode van de hoogste Jupiter, dringt aan; daarnaast raakt het Paard hem met zijn hoofd en het licht van zijn nek. Deze draagt de as, op gelijke afstand gescheiden, door hun midden gaand vanaf de hoogste kruin van de hemel. Maar die vierde Kring, met zijn heldere licht, houdt de buitenste banen aan zijn buitenste delen, en wordt tegelijk vanuit het midden, aan zijn middelste deel, gesneden, en schuin wordt hij hierdoor voortgedragen, glanzend met licht: zodat niemand, aan wie de hoogst geleerde Pallas met haar eigen heilige hand de vaardige kunst in de beginselen van het ambacht heeft gegeven, de gewrongen banen zo kunstig zou kunnen draaien als zij in de hemel door goddelijke macht gebogen zijn, de aarde omgordend, het firmament met licht sierend, de sterren geschraagd houdend met een dwarse top. Deze vier worden alle met dezelfde beweging gewenteld. Maar die ene, schuin tussen de drie kringen verstrengeld, houdt zijn loop zo ver boven de landen als de Steenbok in ruimte van de Krab gescheiden is; en onder de landen moet de ruimte noodzakelijk gelijk zijn. En zo groot als de stralen die wij vanuit ons eigen licht werpen, waarmee wij deze gewelfde baan van de hemel raken, zes zulke delen zullen eronder kunnen schuiven, elk op gelijke afstand twee hemelse tekens houdend. Deze noemen de Grieken de Zodiak; en onze Latijnen zullen hem, met een ware naam, de tekendragende kring noemen: want, wentelend, draagt hij de twaalf brandende tekens. De hittedragende Krab is het ene, zijn gloeiende sterren spreidend. Eronder wijkt de grimmige kracht van de Leeuw, glanzend, die de Maagd volgt, gloeiend met roodachtig lichaam, dan de Scharen, met helder licht vooruit geworpen; en de grote kracht van de Schorpioen volgt, schijnend. Dan houdt de Boogschutter de gebogen boog in zijn rechterhand. Na hem dringt de Steenbok voort om met zijn gelaat te gaan. Dan gloeit de waterige Waterman voor de baan op zijn plaats. Vervolgens spelen de schubdragende Vissen kronkelend; wier metgezel de Ram is, glijdend met dof licht, en de Stier, zijn knie gebogen, zijn lichaam vooruit geworpen, en de Tweelingen, helder vuur met hun lichten werpend. Deze wentelt de Zon rond, met eeuwig licht doorkruisend, de jaarlijkse getijden in haar wentelende loop voltooiend. Zoveel van de baan als voltooid onder de landen wordt gedreven, juist zoveel ervan staat boven open voor de stervelingen. Zes tekens wijken altijd, glijdend in elke nacht, en evenveel glanzende tekens ziet de hemel weer. Deze omspan, doorgaand, voltooit de nacht met haar blinde schaduwen, die, boven de landen aan het begin van de nacht achtergelaten, geschraagd is vanuit de tekendragende kring en vanuit de orde der tekens.
Quatuor, aeterno lustrantes lumine mundum, orbes stelligeri portantes signa feruntur, amplexi terram, caeli sub tegmine fulti: e quibus annorum volitantia iumina nosces, 485 quae densis distincta licebit cernere signis. Tum magnos orbes magno cum lumine latos, vinctos inter se, et nodis caelestibus aptos, atque pari spatio duo cernes esse duobus. Nam si nocturno cognoscens tempore caelum, 490 quum neque caligans detersit sidera nubes, nec pleno stellas superavit lumine Luna, vidisti magnum candentem serpere Circum: lacteus hic nimio fulgens candore notatur. Hic non perpetuum detexens conficit orbem. 495 Quatuor huic simili nitentes mole feruntur: sed spatio multum superis praestare duobus dicitur, et late caeli lustrare cavernas. Quorum alter tangens Aquilonis vertitur auras, ora petens geminorum illustria; tum genus ardens 500 in sese retinens Aurigae portat utrumque. Hunc sura laeva Perseus humeroque sinistro tangit. At Andromedae dextra de parte tenetur; [cui manus ad Boream, cubitus cuis spectat ad Austrum]. Imponitque pedes duplices Equus; et simul Ales 505 ponit avis caput, et clinato corpore tergum. Anguitenens humeris connititur. Illa recedens Austrum consequitur devitans corpore Virgo. At vero totum spatium convestiet orbis magnu’ Leo, et claro collucens lumine Cancer, 510 in quo consistens convertit curriculum Sol aestivus, medio distinguens corpore cursus. Hic totus medius curco disjungitur: iste subter testarum cava tegmina, et intus et extra lumen habens: saevi sed vis horrenda Leonis 515 pectoribus validis, atque alvo possidet orbem. Hunc octo in partes divisum noscere circum si potes, invenies supero convertier orbe quinque pari spatio, partes tres esse relictas, tempore nocturno quas vis inferna frequentat. 520 [Ille quidem a Boreae] Cancro connectitur [auris;] alter ab infernis [contra connititur] Austris. Distribuens medium subter secat hic Capricornum, atque pedes gelidum rivum fundentis Aquari, caeruleaeque feram caudam Pistricis, et illum 525 fulgentem Leporem; inde pedes Canis, et simul amplam Argoam retinet claro cum lumine Navem; tergaque Centauri, atque Nepai portat acumen: inde Sagittari defixum possidet arcum. Hunc, a clarisonis auris Aquilonis ad Austrum 530 cedens, postremum tangit rota fervida Solis; exinde in superas brumali tempore flexus se recipit sedes. Huic orbi quinque tributae nocturnae partes, supera tres luce dicantur. Hosce inter mediam partem retinere videtur 535 tantus quantus erit collucens lacteus orbis: in quo autumnali, atque iterum sol lumine verno exaequat spatium lucis cum tempore noctis. Hunc retinens Aries sublucet corpore totus, atque genu flexo Taurus connititur ingens. 540 Orion claro contingens pectore fertur. Hydra tenet flexu; Cratera et Corvus adhaeret, et paucae e Chelis stellae: simul Anguitenentis sunt genua, et summi Jovis Ales nuntius instat; propter Equus capite, et cervicum lumine tangit. 545 Hosce aequo spatio dejunctos sustinet axis, Per medios summo caeli de vertice tranans. Ille autem claro quartus cum lumine Circus partibus extremis extremos continet orbes, et simul a medio media de parte secatur, 550 atque obliquus in his nitens cum lumine fertur: ut nemo, cui sancta manu doctissima Pallas solertem ipsa dedit fabricae rationibus artem, tam tornare cate contortos possiet Orbes, quam sunt in caelo divino numine flexi, 555 terram cingentes, ornantes lumine mundum, culmine transverso retinentes sidera fulta. Quatuor hi motu cuncti volvuntur eodem. Sed tantum supera terras semper tenet ille curriculum oblique implexus tribus orbibus unus, 560 quanto est divisus Cancer spatio a Capricorno; ac subter terras spatium par esse necesse est. Et quantos radios jacimus de lumine nostro, queis hunc convexum caeli contingimus orbem, sex tantae poterunt sub eum succedere partes, 565 bina pari spatio caelestia signa tenentes. Zodiacum hunc Graeci vocitant, nostrique Latini orbem signiferum perhibebunt nomine vero: nam gerit hic volvens bis sex ardentia signa. Aestifer est pandens ferventia sidera Cancer. 570 Hunc subter fulgens cedit vis torva Leonis, quem rutilo sequitur collucens corpore Virgo, exin projectae claro cum lumine Chelae; ipsaque consequitur lucens vis magna Nepai. Inde Sagittipotens dextra flexum tenet arcum. 575 Post hunc ore fera Capricornus vadere pergit. Humidus inde loci collucet Aquarius orbi. Exin squammiferi serpentes ludere Pisces; queis comes est Aries obscuro lumine labens, inflexoque genu projecto corpore Taurus, 580 et Gemini clarum jactantes lucibus ignem. Haec Sol aeterno convolvit lumine lustrans annua conficiens vertenti tempora cursu. Hic quantum terris confectus pellitur orbis, tantumdem ille patens supera mortalibus exstat. 585 Sex omni semper cedunt labentia nocte, tot caelum rursus fulgentia signa revisunt. Hoc spatium tranans caecis nox conficit umbris, quod supera terras prima de nocte relictum signifero ex orbi’ et signorum ex ordine fultum. 590
De Op- en Ondergangen van de Tekens. Maar indien je de zekere lopen van de Zon wilt kennen, zul je de opgangen van de Tekens in de nachtelijke tijd waarnemen; want Titan, opkomend, trekt altijd één teken omhoog. Maar indien een hoge berg, de tekens belemmerend, zal hinderen, of wolken met blinde nevel het licht zullen wegnemen, zul je, de zekere merktekens zelf van het dak van de hemel nemend, alle opgangen en ondergangen kunnen kennen. Welke samen oprijzen, zul je zien; welke op hetzelfde ogenblik zich in de nachtelijke tijd in hun ondergang storten, zul je weten. Want zodra de Krab zich geheel in het bovenste licht heeft verheven, wijkt terstond de Kroon, neerglijdend; en zij bezoekt de streken beneden, tot aan de staart van de Vis. De Kroon, met sterren afgetekend, houdt de ene helft reeds boven, en van het andere deel is zij teruggedreven: die toch de Vis volgt, niet geheel naar de schaduwen getrokken, maar, in zijn bovenste lichaam bedekt, wijkt: en de Slangendrager verbergt, van zijn knieën tot aan zijn schouders, de grote gekromde Slang, vanaf zijn sterke nek. Nu inderdaad wordt de Berenhoeder in geen gelijk deel gesneden: want korter wordt hij gezien vanuit het heldere deel van de hemel; groter, neergedreven, bezit hij de onderwereldse schaduwen. Vier tekens pleegt hij, in zijn ondergang, met zich mee te trekken uit de tekendragende kring; dan, later, trekt hij zich terug, wanneer hij zich met het bovenste licht heeft verzadigd, met helder lichaam wegzinkend na het midden van de nacht. Deze duistere tekens verbergt de aarde, wentelend. Maar uit het andere deel dwaalt, met heldere lichten, Orion, glanzend aan zijn schouders en brede borst, en in zijn rechterhand het Zwaard houdend, niet verstoken van licht. Maar wanneer de kracht van de Leeuw uit de landen wordt ontsloten, wijken al wat de Krab bij zijn heldere opgang omhoogbracht, verduisterd; eveneens wordt de grote kracht van de Adelaar verdreven, en de Knielende, met gebogen lichaam zinkend, nu bijna uit het bovenste licht gedreven, wijkt: maar hij laat zijn linkerknie, en zijn heldere zool, in den hoge. Dan rijst daartegenover het heldere hoofd van de Hydra, en de Haas, en Procyon, die, gloeiend, zich vóór de Hond voortbrengt; dan worden de eerste sporen van de Hond gezien. Niet weinig tekens uit de hemel verdrijvend, plotseling rijst de Maagd op, gloeiend met helder licht. De Cyllenische Lier wijkt helder, de Dolfijn wordt geplonsd onder de golf, eveneens de Pijl, neergedreven, wordt bedekt, en de Vogel wijkt terug tot de top van zijn staart en de voorkant van zijn vleugels, en de grote Rivier glijdt eveneens neer. Hier vervaagt het Paard vanaf zijn hoofd en lange nek. Verder weg rijst nu de Slang op met helder lichaam; en de Hydra schijnt voor de stervelingen tot aan de Beker. Dan toont de Hond zijn achterste voeten, en daarna trekt hij zelf de achtersteven met helder licht. Het Schip volgt, glijdend door de lichten van de hemel; het toont zijn middelste mast met stralende balk; en nu eindelijk is de Maagd met heel haar lichaam tevoorschijn gekomen. Maar wanneer de Scharen met duister lichaam voortkomen, rijst Boötes eveneens op met ruim licht, op wiens tegenoverliggend lichaam Arcturus vastgezet is; en nu glijdt de hele Argo, boven glanzend, voort, en de Hydra, omdat zij wijd uitgespreid in de hemel gehouden wordt, ligt nog niet geheel open; want de schaduw bedekt haar staart. Maar de Slangendrager schijnt weer met hernieuwd licht. Nu verheft die, die zonder bekende naam, de Knielende, die altijd de grenzen van de Arkadische Lier raakt, zijn rechterknie, en zijn met licht gesierde kuit; die wij zeer dikwijls in één nacht uitgedoofd en weer opgekomen hebben gezien, zodat hij, doorgaand, zijn kleine baan verdubbelde. Hij verheft zijn knie en kuit in den hoge met de Scharen: maar hijzelf wordt, halsoverkop, in de donkere nacht gehouden, terwijl de Schorpioen en de Boogschutter de lichten van de hemel bezoeken. Want de Schorpioen zal zijn midden met zich uitspreiden; maar de Boog, opkomend, zal trachten zich geheel in de hemel te verheffen. Hij, met drie tekens opgeheven, schijnt met heel zijn lichaam: maar de Kroon rijst op vanuit haar middelste deel, en de staart van de Centaur glanst met de uiterste helderheid. Hier verbergt nu het hele Paard zich in de blinde schaduwen, waarlangs de Vogel vliegt, gloeiend met roodachtig vederdos. Het heldere hoofd van Andromeda gaat onder, en het woeste Zeemonster glijdt neer, zijn afgrijselijke maaltijden zoekend, onheilbrengend. Daartegen houdt Cepheus niet op zijn handpalmen uit te strekken: zij zinkt en verbergt zich, blauw, tot aan de ruggengraat. Maar Cepheus buigt zijn hoofd en schouders en handpalmen terug. Maar wanneer de heftige kracht van de Schorpioen is opgekomen, wijd uitgespreid en vliegend, glijdt zij neer in de landen; en Orion, door vrees getroffen, wordt samen met haar verborgen. Met uw verlof, Maagd, moge ik de oorzaak van deze vrees ontvouwen: kom tot mij, ik bid u, verzoend, Diana. Dit is het verhaal der mensen, dit gerucht dwaalt door de landen; dat eens Orion gezegd wordt gewelddadige handen aan Diana te hebben geslagen, dolend, waanzinnig, op de hoge heuvels, die Chios bezit, vastgezet in de Aegeïsche kolk, Chios, wiens armen de groene wijnstok met zijn dek kleedt. Hij, razend, met waanzinnig hart, doodde wilde dieren, begerig de glanzende maaltijden van Oenopion te sieren. Maar plotseling, door de voeten van Diana getroffen, spleet het eiland uiteen, en, de verstrooide rotsen losrukkend, schudde het hen, en verlichtte de blinde holten met licht: waaruit met reusachtig lichaam vóór hem tevoorschijn kwam de vijandige Schorpioen, zijn beklagenswaardige punt voor zich dragend. Deze trof de jager, begerig in zijn jacht, met een machtige slag, het dodelijke gif door de wonden in zijn aderen vastzettend: hij, stervend, bestrooide de aarde met zijn zware lichaam. Daarom, wanneer de Schorpioen zich met zijn grote lichten verheft, vertrouwt Orion, vluchtend, zijn lichaam aan de landen toe. Dan inderdaad vlucht Andromeda, en het Neptunische Zeemonster ligt geheel verborgen; Cepheus wijkt, in lichaam omgewend, de uiterste landen met het midden van zijn lichaam rakend. Hij kan zijn hoofd en bovenste delen onderdompelen; maar de onderwereldse schaduw zal nooit zijn lenden kleden: want de Beren, met hun licht doorkruisend, houden zijn kuiten vast. Zij glijdt tegelijk, tranend, haar dochter zoekend, Cassiepeia; noch wordt zij met genade uit de hemel verdreven, maar wordt voortgedragen, eerst met omgekeerde kruin de landen rakend, dan met haar schouders, haar zetel omgekanteld, weggevoerd. Deze straf leggen de milde Nereïden haar op, met wie zij, naar men zegt, het in schoonheid waagde te wedijveren. Zij gaat onder, voorovergebogen: maar het andere deel van de Kroon is opgekomen, en nu wordt de hele Hydra met haar staart uitgespreid. Maar de Centaur rukt zijn hoofd, en heel zichzelf, uit de donkere schaduwen, de kleine sporen van zijn voorvoeten bedekt latend: zodra hij zijn lichten uitspreidt, houdt hij zelf het wilde beest in zijn rechterhand. Maar de overigen wachten de opgang van de grote Boog af. Dan glijdt voort de Slangendrager, met hoofd en handen: tegelijk brengt de Slang haar hoofd omhoog, en het hoogste licht van haar gebogen lichaam. Hier rijst die Knielende op, in lichaam omgewend, zijn buik, benen, schouders, en eveneens zijn borst doorkruisend, en met zijn rechterhand zijn stralen in blij licht werpend. Dan, wanneer de Boogschutter de bovenste lichten begint te bezoeken, duikt het hoofd van de Knielende op, en tegelijk verheft zich de heldere Lier, en Cepheus komt in lichaam tevoorschijn. Die brandende Hond wijkt met heel zijn lichaam. Orion wordt verborgen, en ook de Haas gaat, in schaduw verborgen; de onderste lichten van de Wagenmenner vallen in hun glijden. Dan drijft de Steenbok, ondergaand, van de hoge top de Wagenmenner, en de dreigende Geit, en tegelijk de kleine Bokjes, en drijft het grote Schip van de aloude naam neer. Procyon wordt overstelpt. Met gevleugeld glijden duiken uit de landen de vogels op. De heldere Pijl komt tevoorschijn. Zijn rechterbeen en -voet achterlatend, gaat Perseus onder in de onderwereldse plaatsen; dan, wijkend, wordt de Argo vanaf haar achtersteven achtergelaten. Maar nadat de Waterman de bovenste baan heeft bezocht, en de allerheiligste zetel van het Zuidelijke Altaar oprijst; en het Paard zich met schouder en voorvoeten hoog opheft. De nacht kan de tegenoverliggende staart van de Centaur, die zij naar de onderwereldse delen neerwentelt, noch zijn hoofd, en brede schouders, en grote borst verduisteren; en van de Hydra, die het dichtst bij zijn nek is, trekt zij de kronkel neer, en verbergt haar roodgloeiende muil. Maar de overigen staan lang met stralend licht, noch wijken zij eerder van boven, met het halfdier in hun gelaat, dan de Vissen met hun verdubbeld lichaam oprijzen. En de Vis rijst nabij de Steenbok uit de zee op, in een ander deel de opgang van het dreigende gesternte afwachtend: zo rijzen de schouders van Andromeda, en haar befaamde benen met vermoeide handpalmen, op het gedeelde getijde der tekens op. Wanneer eerst de Vissen uit de vlakke golven zullen oprijzen, zal het je gegeven zijn de rechterdelen van Andromeda te zien. Maar de Ram, de onderwereldse plaatsen verlatend, toont haar linkerdelen aan de landen. Omstreeks die tijd zul je ongeveer het Altaar de westelijke grenzen van de zee zien bewaken, en Perseus tot aan zijn schouders in het oostelijke deel. Het is twijfelachtig of de Ram, talmend, de borst van Perseus omhoogtrekt, of de Stier: met de Stier doorkruist hij de ether. Maar ik zou niet menen dat deze ophouden, wanneer de Stier oprijst: want naast hen gloeien de sterren van de Wagenmenner, die de Stier toch niet geheel in de heldere luchten van het licht drijft, maar hij wordt voltooid te midden van de Tweelingen zelf, maar de beide Bokjes, en de Geit met haar linkervoet, rijzen met de Os op: dan verheft het Zeemonster zijn monsterlijke rug, en zijn glanzende staart in het gewelf van de hemel. Boötes zelf gaat ook onder, nu in zijn eerste deel: vier tekens begraven hem nauwelijks in de brede diepte, en standvastig in het linkerdeel van de westelijke Beer wentelt hij omhoog. Beide voeten, tot aan de tweelingknie van de Slangendrager, wijkend voor de hemel, en weggegleden onder de geweldige wateren, zullen, elders oprijzend, de Tweelingen kunnen tonen. Nu schijnt het Zeemonster aan geen kant nabij, toch weldra te bezien, wanneer nu de eerste gelederen van de Rivier in het midden zullen komen, te onderscheiden door de zeelieden in de diepte, die, het afwachtend, het grote teken Orion verbeiden: namelijk opdat de weg van het schip, en de maat van de nacht, zich ontsluiten, zulke tekens als de Goden er vele aan het mensengeslacht hebben gegeven.
Quod si Solis aves certos cognoscere cursus, ortus Signorum nocturno temporer vises; nam semper signum exoriens Titan trahit unum. Sin autem officiens signis mons obstruet altus, aut adiment lucem caeca caligine nubes, 595 certas ipse notas caeli de tegmine sumens, ortus atque obitus omnes cognoscere possis. Quae simul exsistant, cernes; quae tempore eodem praecipitent obitum nocturno tempore, nosces. Nam simul ut supero se totum lumine Cancer 600 extulit, extemplo cedit delapsa Corona; et loca convisit cauda tenus infera Piscis. Dimidiam retinet stellis distincta Corona, partem jam supera, atque alia de parte repulsa est: quam tamen insequitur Piscis, nec totus ad umbras 605 tractus, sed supero contectus corpore cedit: atque humeros usque a genibus, camurumque recondit Anguitenens validis magnum a cervicibus Anguem. Jam vero Arctophylax non aequa parte secatur: nam brevior clara caeli de parte videtur; 610 amplior infernas depulsus possidet umbras. Quatuor hic obiens secum deducere signa signifero solet ex orbi; tum serius ille, quum supera sese satiavit luce, recedit, post mediam labens claro cum corpore noctem. 615 Haec obscura tenens convertit sidera tellus. At parte ex alia claris cum lucibus errat Orion, humeris et lato pectore fulgens, et dextra retinens non cassum luminis Ensem. Sed quum de terris vis est patefacta Leonis, 620 omnia, quae Cancer praeclaro detulit ortu, cedunt obscurata; simul vis magna Aquilai pellitur, ac flexo considens corpore Nisus jam supero ferme depulsus lumine cedit: sed laevum genus, atque illustrem linquit in altum 625 plantam. Tum contra exoritur clarum caput Hydrae, et Lepus et Procyon, qui sese fervidus infert ante Canem; inde Canis vestigia prima videntur. Non pauca e caelo depellens signa, repente exoritur candens illustri lumine Virgo. 630 Cedit clara Fides Cyllenia, mergitur unda Delphinus, simul obtegitur depulsa Sagitta, atque Avis ad summam caudam, primasque recedit pinnas, et magnus pariter delabitur Amnis. Hic Equus a capite, et longa cervice latescit. 635 Longius exoritur jam claro corpore Serpens; Crateraque tenus lucet mortalibus Hydra. Inde pedes Canis ostendit jam posteriores, et post ipse trahit claro cum lumine puppim. Insequitur labens per caeli lumina Navis; 640 haec medium ostendit radiato stipite malum; et jamjam toto processit corpore Virgo. At quum procedunt obscuro corpore Chelae, exsistit pariter larga cum luce Bootes, cujus in adverso est Arcturus corpore fixus; 645 totaque jam supera fulgens prolabitur Argo, Hydraque, quod late caelo dispersa tenetur, nondum tota patet; nam caudam contegit umbra. [Anguitenens autem renovata luce refulget.] Jam dextrum genus, et decoratam lumine suram 650 erigit ille vacans vulgato nomine Nixus, qui Fidis Arcadicae semper confinia tangit: quem nocte exstinctum atque exortum vidimus una Persaepe, ut parvum tranans geminaverit orbem. hic genus et suram cum Chelis erigit alte: 655 ipse autem praeceps obscura nocte tenetur, dum Nepa et Arcitenens invisant lumina caeli. Nam secum medium pandet Nepa; tollere vero in caelum totum exoriens conabitur Arcus. Hic tribus elatus cum signis corpore toto 660 lucet: at exoritur media de parte Corona, caudaque Centauri extremo candore refulget. Hic se jam totum caecas Equus abdit in umbras, quem rutila fulgens pluma praetervolat Ales. Occidit Andromedae clarum caput, et fera Pistrix 665 labitur, horribiles epulas funesta requirens. Hanc contra Cepheus non cessat tendere palmas: illa usque ad spinam mergens se caerula condit. At Cepheus caput atque humeros palmasque reclinat. Quum vero vis est vehemens exorta Nepai, 670 late fusa volans [in terras labitur unda; Orionque metu perculsus conditur una. Pace hujus liceat causam explicuisse timoris, Virgo, tua: mihi, quaeso, veni placata, Diana. Haec fama est hominum, haec] per terras fama vagatur; 675 ut quondam Orion manibus violasse Dianam dicitur, excelsis errans in collibus amens, quos tenens Aegeo defixa in gurgite Chius brachia cui viridi convestit tegmine vitis. Ille feras vecors amenti corde necabat, 680 Oenopionis avens epulas ornare nitentes. At vero pedibus subito perculsa Dianae insula discessit, disjectaque saxa revellens perculit, et caecas lustravit luce lacunas: e quibus ingenti exsistit cum corpore prae se 685 Scorpius infestus, praeportans flebile acumen. Hic valido cupide venantem perculit ictu, mortiferum in venas figens per vulnera virus: ille gravi moriens constravit. corpore terram. Quare quum magnis sese Nepa lucibus effert, 690 Orion fugiens commendat corpora terris. Tum vero fugit Andromeda, et Neptunia Pistrix tota latet; cedit conversa corpore Cepheus, extremas medio contingens corpore terras. Hic caput et superas potis est demergere partes; 695 infera lumborum numquam convestiet umbra: nam retinent Arctae lustrantes lumine suras. Labitur illa simul gnatam lacrymosa requirens Cassiepeia, neque ex caelo depulsa decore fertur : nam verso contingens vertice primum 700 terras, post humeris, eversa sede, refertur. Hanc illi tribuunt poenam Nereides almae, cum quibus, ut perhibent, ausa est contendere forma. Haec obit inclinata: at pars exorta Coronae est altera, cum caudaque omnis jam panditur Hydra. 705 At caput, et totum sese Centaurus opacis eripit e tenebris, linquens vestigia parva antepedum contecta: simul quum lumina pandit: ipse feram dextra retinet. [Sed caetera magni exspectant Arcus ortum.] Prolabitur inde 710 Anguitenens capite et manibus: profert simul Anguis jam caput, et summum flexo de corpore lumen. Hic ille exoritur conversas corpore Nisus, alvum, crura, humeros, simul et praecordia lustrans, et dextra radios laeto cum lumine jactans. 715 Inde Sagittipotens superas quun visere luces institit, emergit Nisi caput, et simul effert sese clara Fides, et prodit corpore Cepheus. Fervidus ille Canis toto cum corpore cedit. Abditur Orion, obit et Lepus abditus umbra; 720 inferiora cadunt Aurigae lumina lapsu. Inde obiens Capricornus ab alto culmine pellit Aurigam, instantemque Capram, parvos simul Haedos, et magnam antiquo depellit nomine Navem. Obruitur Procyon. Emergunt alite lapsu 725 e terris volucres. Exsistit clara Sagitta. Crus dextrumque pedem linquens obit infera Perseus in loca ; tum cedens a puppi linquitur Argo. [At postquam superum convisit Aquarius orbem, Australisque Arae surgit sanctissima sedes; 730 seque humero et pedibus primis Equus exserit alte. Centauri oppositam devolvit ad infera caudam nox, caput, et latos humeros, et pectora magna non potis obscurare; et Hydrae, quae proxima collo est, subducit spiram, rutilantiaque ora recondit. 735 Caetera sed longum radianti lumine perstant, nec prius a superis cedunt, cum semifero, oris omnia, quam surgant geminato corpore Pisces. Surgit et Aegoceri vicinus ab aequore Piscis, parte alia exspectans instantis sideris ortum: 740 sic humeri Andromedae, et cum lassis inclyta palmis crura bipartito signorum tempore surgunt. Quum primum planis Pisces orientur ab undis, Andromedes dextras dabitur tibi cernere partes. At laevas Aries, linquens inferna locorum, 745 ostendit terris. Illo sub tempore ferme Hesperii servantem Aram confinia ponti, Perseaque usque humeros Eoa in parte videbis. Hoc dubium est, cessansne Aries praecordia Persei adtrahat, an Taurus: Tauro simul aethera lustrat. 750 Sed non desinere haec, Tauro exoriente, putarim: nam vicina illis Aurigae sidera fulgent, quem tamen haud totum dias in luminis auras Taurus agit, Geminis sed enim completur in ipsis, sed duplices Haedi, et cum planta Capra sinistra 755 cum Bove se tollunt: tunc terga immania Pistrix erigit, et caeli splendentem in fornice caudam. Occidit ipse etiam prima jam parte Bootes: quatuor hunc lato vix condunt sidera ponto, laevaque in occiduae constans subvolvitur Ursae. 760 Ambo pedes, usque ad geminum genus Anguitenentis, cedentes caelo, atque immensa sub aequora lapsi, surgentes alibi poterunt monstrare Gemellos. Jam lateri Pistrix nulli vicina videtur, mox visenda tamen, quum jam Fluvii agmina prima 765 in medio venient nautae cernenda profundo, qui signum exspectans magnum manet Oriona: nempe iter ut ratis, et noctis mensura patescat, qualia plura hominum generi Di signa dederunt.]
Prognostica (De Weertekenen). 1. De hoeder van de geitgeboren kudde, uit de geweldige kolk. (Priscianus, 6) 2. Met de schepen aan boord genomen, de drijvende achterstevenversierselen te zoeken. (Priscianus, 7) 3. Die noch storm zal vernietigen, noch lange ouderdom zal tenietdoen, de heldere luister van de hemel uitdovend. (Priscianus, 10) 4. Gelijk wanneer de Maan, voorbijgaand, de schijf van Hyperion belemmert, worden de stralen gedoofd, met blinde duisternis bedekt. (Priscianus, 10) 5. Maar ook de Kribbe, die met een dun licht gloeit. (Priscianus, 16) 6. En bovendien voorspelt zij dikwijls winden die komen gaan, de gezwollen zee, wanneer zij plotseling en diep opzwelt, en de grijze rotsen van het zout, schuimend met sneeuwwitte spatten, wedijveren hun droeve stemmen aan Neptunus terug te geven; of wanneer een dicht gedreun, opgekomen uit de hoge kruin van een berg, luider aanzwelt, dikwijls door de weerkaatsing van de klippen. Eveneens kondigt de grauwe meerkoet, vluchtend uit de kolk van de zee, met zijn kreet aan dat vreselijke stormen ophanden zijn, geen geringe gezangen uit zijn trillende keel uitstortend. (Cicero, Over de waarzeggerij, I, 8) 7. Ook gij ziet de tekens, voedsterlingen van het zoete water, wanneer gij u met geschreeuw gereedmaakt uw ijdele stemmen uit te storten, en de bronnen en poelen met ongerijmd geluid in beweging brengt. Dikwijls ook zingt de groene kikker een hoogst treurig lied uit zijn borst, en in de ochtend dringt het uiltje met zijn stemmen aan, dringt met zijn stemmen aan, en werpt onophoudelijke klachten uit zijn bek, wanneer Aurora het eerst de koude dauw terugzendt. En soms dompelde de donkere kraai, langs de kusten lopend, haar hoofd onder en ontving de golf op haar nek. (Cicero, Over de waarzeggerij, I, 8, 9) 8. En de zachtvoetige ossen, opziend naar de lichten van de hemel, zogen met hun neusgaten het vochtdragende sap uit de lucht. (Cicero, Over de waarzeggerij, I, 9) 9. Nu waarlijk toont de mastiekboom, altijd groen en altijd beladen, gewoon met drievoudige oogst aan te zwellen, driemaal vrucht voortbrengend, de drie jaargetijden van het ploegen. (Cicero, Over de waarzeggerij, I, 9)
FRAGMENTA 1 Caprigeni pecoris custos de gurgite vasto. (Prisc., 6) 2 Navibus assumptis fluitantia quaerere aplustra. (Prisc., 7) 3 Quem neque tempestas perimet, neque longa vetustas Interimet, stinguens praeclara insignia caeli. (Prisc., 10) 4 Ut quum Luna means Hyperionis officit orbi, Stinguuntur radii caeca caligine tecti. (Prisc., 10) 5 Ast autem tenui quae candet lumine Phatne. (Prisc., 16) 6 Atque etiam ventos praemonstrat saepe futuros Inflatum mare, quum subito penitusque tumescit, Saxaque cana salis niveo spumata liquore Tristificas certant Neptuno reddere voces; Aut densus stridor quum celso e vertice montis               5 Ortus adaugescit scopulorum saepe repulsu. Rana/Rava fulix itidem fugiens e gurgite ponti Nuntiat horribiles clamans instare procellas, Haud modicos tremulo fundens e guttere cantus. (Cic., Divin., I, 8) 7 Vos quoque signa videtis, aquai dulcis alumnae, Quum clamore paratis inanes fundere voces, Absurdoque sono fontes et stagna cietis. Saepe etiam pertriste canit de pectore carmen Et matutinis acredula vocibus instat,                                   5 Vocibus instat, et assiduas jacit ore querelas, Quum primum gelidos rores Aurora remittit. Fuscaque nonnumquam cursans per litora cornix Dermersit caput et fluctum cervice recepit. (Cic., Divin., I, 8, 9) 8 Mollipedesque boves spectantes lumina caeli Naribus humiferum duxere ex aere succum. (Cic., Divin., I, 9) 9 Jam vero semper viridis semperque gravata Lentiscus triplici solita grandescere fetu, Ter fruges fundens tria tempora monstrat arandi. (Cic., Divin., I, 9

Deze passage citeren

Aratea

Kies een formaat en klik op Kopiëren. De permalink brengt elke lezer precies naar deze sectie.

Steun dit project

Hier gratis te lezen. Koop het e-book om het werk te steunen.

E-book binnenkort beschikbaar

De e-book-editie in deze taal is in de maak. (Nederlands)